Tieneke de Groot


Hieronder staat een samenvatting van het onderzoek uit 2004.

DE MOERASSPRINKHAAN EN DE ZOMPSPRINKHAAN IN HET ZUIDELIJK VECHTPLASSENGEBIED
In de provincie Utrecht zijn slechts enkele populaties moerassprinkhanen bekend. In 2004 heb ik de verspreiding van de populaties in het zuidelijk Vechtplassengebied geïnventariseerd. De aantallen roepende mannetjes waren overweldigend. Tijdens de inventarisatie stuitte ik op twee populaties van de zompsprinkhaan.

moerasmanklman moerassprinkhaan
rodemoerasvrkl
vrouw moerassprinkhaan


DE MOERASSPRINKHAAN
De moerassprinkhaan Stethophyma grossum behoort samen met de gouden sprinkhaan Chrysochraon dispar en de zompsprinkhaan Chortippus montanus tot de drie vochtminnende sprinkhaansoorten die bedreigd worden in Nederland. De soort staat als kwetsbaar op de Rode Lijst. Ook in België en Duitsland heeft de soort een Rodelijststatus.

De soort komt voor in verschillende vochtige omgevingen die met elkaar gemeen hebben dat ze in het winterhalfjaar nat zijn. Dit kunnen vochtige heides zijn, hoogvenen met pijpestro, blauwgraslanden, beekdalgraslanden, uiterwaarden en graslanden in laagveengebied. De voedselrijkdom van de leefgebieden kan zeer verschillen. De structuur van de vegetatie bestaat meestal uit een afwisseling van ruigere delen en korte vegetatie.

De eieren worden in de bodem of vlak daarboven gelegd. Ze dienen in het winterhalfjaar in kontakt te staan met water, doordat ze nogal uitdrogingsgevoelig zijn. Vanaf maart dient de bodem niet meer onder water te staan.

De moerassprinkhaan is herbivoor en eet allerlei soorten grassen en cypergrassen; kruiden worden gemeden.

De mannetjes maken een duidelijk hoorbaar, knappend geluid, alsof er schrikdraad staat te tikken.

Over het verbreidingsvermogen is niet veel bekend. Het lijkt erop dat de mannetjes in ieder geval goed kunnen vliegen. Tijdens de inventarisatie in 2004 vloog eenmaal een mannetje meer dan 50 meter weg over een graslandperceel.

moeraskaart
Copyright topkaart Topografische Dienst Emmen

De verspreiding in het zuidelijk Vechtplassengebied
Er is voornamelijk in natuurgebieden gezocht en in de direkte omgeving daarvan in slootbermen. De bezochte terreinen zijn: de Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven (meest westelijk gelegen gebied), de Westbroekse Zodden, de Molenpolder (het zuidwestelijke plassengebied op de kaart) en enkele delen van de Gagelpolder (liggend ten noorden van de stad Utrecht). De Oostelijke Binnenpolder is grotendeels in eigendom van Natuurmonumenten, de overige gebieden van Staatsbosbeheer.

In bijgaande verspreidingskaart geven de rode stippen de aanwezigheid van de moerassprinkhanen weer. (In mijn verslag zijn van elk deelgebied abundantiekaarten opgenomen.) Met zwarte lijnen is aangegeven waar is geïnventariseerd. Dit alles per 50 meter oever of 50x50 meter grasland.

Enkele conclusies uit de verspreiding
* Uit de inventarisatie blijkt dat de moerassprinkhaan een vrijwel aaneengesloten verspreiding heeft, verdeeld over 8 kilometerhokken. In de direkte omgeving zijn nog enkele waarnemingen gedaan.
* Er is uitwisseling mogelijk tussen de populaties in het westelijk deel (Oostelijke Binnenpolder) en het oostelijk deel (Westbroekse Zodden).
* Er is duidelijk migratie naar de omgeving toe, naar het zuiden onder andere, getuige de vondsten in de Gagelpolder.
* De afstand van de zwervers in de Gagelpolder (voorgaande jaren zijn tijdens de vlindermonitoring geen moerassprinkhanen gehoord) tot de dichtstbijzijnde populaties is ongeveer 2 kilometer.
* In de Molenpolder gaat het vermoedelijk niet om zwervers. Zowel in juni als in augustus werden hier op een trilveentje/veenmosrietland sprinkhanen gevonden, met een maximum van 4 mannetjes en 1 vrouwtje in augustus. Het geschikte oppervlak beslaat slechts 150 vierkante meter. Een relictpopulatie?


Binnenpoldergraslklvochtig, ruig grasland Binnenpolder
Zoddentrilveenkleen trilveen in de Zodden
migratieZoddenklmogelijke migratieroute Zodden


De biotopen
De moerassprinkhaan is in diverse biotopen gevonden. De vegetatiestructuur en de vochtigheid variëerde.
Vrijwel alle geschikte biotopen lijken bezet te worden. Ieder trilveen leverde moerassprinkhanen op. De ruige vegetaties in de directe omgeving van de trilvenen leken soms nog aantrekkelijker. Dit kan deels een inventarisatie-effekt zijn, doordat ik zelden de trilvenen ben opgegaan. Toch heb ik de indruk dat beide vegetatietypes belangrijk zijn voor de moerassprinkhaan: de trilvenen zijn vanwege de vochtigheid interessant voor de eileggende vrouwtjes, de ruige vegetatie eromheen bieden voedsel en beschutting.

Biotoopindeling van de (deel)populaties:
1. trilvenen in diverse stadia van verlanding (echt trilveen, verzuurd trilveen in overgang naar veenmosrietland, verland trilveen met soorten uit het dotterbloemverbond)
2. vochtige, tamelijk voedselrijke en structuurrijke vegetaties (zeer vochtige, beschut liggende graslanden met een pollenstructuur; vochtig en ruig hooiland; plagstroken met o.a. moeraskartelblad, knolrus en biezenknoppen)
3. structuurrijke oevers en bermen van sloten en petgaten (oevers met onder andere pluimzegge en moerasvaren; hoge lies- of rietgrasvegetatie afgewisseld met lagere vegetatie van o.a. rolklaver en grassen).

Migratieroutes
Bij kleine aantallen moerassprinkhanen is het niet altijd duidelijk of het om een kleine populatie gaat danwel om migrerende individuen die vanuit opportunisme roepen.
Het ligt voor de hand, maar toch is het leuk om vast te stellen: de avonturiers hielden zich niet in het midden van de graslanden op, maar vrijwel altijd langs de perceelranden, die zich als volgt kenmerkten:
1. ruige bermen met akkerdistel, brandnetel, haagwinde en hoge grassen
2. oevers van sloten met een kruidenrijke vegetatie grenzend aan kort (extensief begraasd) grasland.

Beheer
Zowel in de Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven als in de Westbroekse Zodden worden de trilvenen in de maand augustus gemaaid, waarna het maaisel wordt afgevoerd. Hier en daar bleven stukken staan, die dankbaar gebruikt werden als zangplek door mannetjes moerassprinkhanen.
De graslanden worden in beide gebieden grotendeels verpacht. Er wordt voornamelijk extensief begraasd, meestal door koeien, op enkele plekken door schapen of paarden. In enkele privégraslanden was de begrazingsdruk hoog.

De moerassprinkhaan heeft vooral baat bij een maaibeheer na half juli, als de meeste individuen al volwassen zijn en makkelijk kunnen rondtrekken op zoek naar hoge, overblijvende vegetatie.

Conclusie
In totaal zijn er bijna 2500 moerassprinkhanen genoteerd. De moerassprinkhaan is dus stevig verankerd in het zuidelijk deel van het Vechtplassengebied. De grootste (deel)populaties zijn te vinden in en rond trilvenen en bij enkele zeer vochtige, structuurrijke graslanden. Het lijkt er op dat er in 2004 sprake was van migratie, zowel binnen de natuurgebieden als naar buiten toe. De vegetatie langs sloten wordt als migratieroute gebruikt.
Dankzij de veelal extensieve begrazing en/of het jaarlijks eenmalige maaien, hadden veel graslanden geen eenvormige, dichte grasmat, maar juist een wat structuurrijkere vegetatie. Dit geldt vooral voor de zeer vochtige graslanden en voor de overgang naar de slootranden.

Het verspreidingsonderzoek in 2004 leverde veel vragen op:
* Lukt het de avonturiers om op nieuwe plekken, zoals in de Gagelpolder, een populatie op te bouwen?
* Hoe zit het met de verspreiding westwaarts, dus in de Bethunepolder?
* En de verspreiding noordwaarts? De grote vraag is of de moerassprinkhaan een aaneengesloten verspreiding heeft van de Westbroekse Zodden en de Tienhovense Binnenpolder tot aan of in het Hol/Kortenhoefse Plassen.

Vervolgonderzoek in 2005 moet antwoord geven op een deel van deze vragen.

Zompkl
man zompsprinkhaan
vrouwzompkl
vrouw zompsprinkhaan

DE ZOMPSPRINKHAAN
De zompsprinkhaan staat als kwetsbaar op de Rode Lijst. Ze komt voor in vochtige biotopen, zoals veenmosrietland, blauwgrasland, gedegenereerd hoogveen en grasland met kleine zeggengemeenschappen.

De eieren van de zompsprinkhaan kunnen in tegenstelling tot die van de moerassprinkhaan niet tegen langdurige overstroming. In Nederland komen beide soorten sprinkhanen niet vaak samen voor.

In uiterlijk en geluid lijkt de zompsprinkhaan sterk op de krasser. Na enige oefening (geluidsopnames helpen daarbij!) is duidelijk te horen dat de zompsprinkhaan, ook bij hoge temperaturen, een trage zanger is.

Zompsprinkhanen zijn herbivoor en eten vooral pijpestrootje, riet, russen en zeggen.
De soort is kortvleugelig en zal zich niet makkelijk verspreiden.

zompgagelkl
Copyright topkaart Topografische Dienst Emmen


De verspreiding in het zuidelijk Vechtplassengebied
Slechts op twee plaatsen is de zompsprinkhaan gevonden, namelijk in een moerasheideterrein en in een blauwgrasland, beide liggend in de Gagelpolder (SBB), vlakbij de stad Utrecht (zie de blauwe stippen op de kaart). In het moerasheideterrein werden ook veel individuen gevonden in een beschut liggend, vochtig en zeer structuurrijk graslandperceel.
Ondanks intensief speuren waren er elders in de natuurgebieden of daarbuiten geen zompsprinkhanen te vinden.

Enkele conclusies uit de verspreiding
Het zal voor de zompsprinkhaan moeilijk zijn om zich uit te breiden naar andere delen van het Vechtplassengebied. Het is een kortvleugelige soort die zich niet makkelijk verspreidt. De vraag is ook of er elders geschikt biotoop aanwezig is. De aanwezigheid van zomsprinkhanen in het vochtige grasland vlakbij de moerasheide doet vermoeden van wel. Of is dit slechts een marginale leefomgeving die alleen in individuenrijke jaren bezet wordt?

De populatie zompsprinkhanen in het veenmosheideterrein lijkt groot genoeg om duurzaam te zijn. De grootte van de populatie in het blauwgrasland is onduidelijk, in 2005 moet er nog een keer geteld worden voordat er gemaaid wordt.

Beheer
Het beheer in beide biotopen bestaat uit het maaien in de maand juli, waarbij een deel van de vegetatie blijft staan en het maaisel weggehaald wordt. In het blauwgrasland is helaas het afgelopen jaar weinig vegetatie gespaard. Dat wat bleef staan werd weggegraasd door een onvoorziene invasie van enkele koeien.

Volgens literatuur is het voor de zompsprinkhaan belangrijk dat er niet te vroeg (zoals in juni) en niet op een grootschalige manier gemaaid wordt. In de Gagelpolder waren eind augustus meer dan 10 zingende mannetjes aanwezig op een smal graslandperceel in de direkte omgeving van de moerasheide. Dit perceel is in de laatste week van juni 2004 gemaaid. Waren de zompsprinkhanen door het maaien in juli van de moerasheide verdreven en op het graslandperceel terecht gekomen? Of waren deze individuen toch nazaten van zich aldaar met succes voortplantende zompsprinkhanen in 2003?! Volgende inventarisaties zullen daar misschien een antwoord op geven.